Het Begin

(vrij overgenomen uit "Kroniek ener joekskapel" uit 1987 van dhr. A. Theeuwen)

Hoe, waar en waarom kwam men in Maasbree zo'n 10 jaar geleden tot de oprichting van een joekskapel? Om deze vraag te beantwoorden is het nodig iets te weten over de toenmalige situatie en sfeer in en om Maasbree.

Maasbree, gelegen in de buurt van grotere plaatsen zoals Venlo, Blerick en zelfs Roermond en bekend om zijn expansiedrift door middel van nieuwbouw, bestond dan ook logischerwijs uit veel importbewoners naast de echte "Britsen" of "Breetsen". Veel van deze zogenaamde importbewoners zochten natuurlijk in hun directe omgeving naar nieuwe kennissen. Zij vonden deze vaak in hun eigen buurt, zoals buren en straat genoten, maar ook in diverse verenigingen zoals LTC Maasbree (de plaatselijke tennisclub) en MMK (Maasbreese Mannenkoor).Zo'n groepje kennissen, ontstaan door het bij elkaar wonen en/of lid zijn van eenzelfde vereniging, is dan ook verantwoordelijk voor de oprichting van een joekskapel.

Nu was het in die tijd zo dat in de omgeving van Venlo de joekskapellen als paddenstoelen uit de grond schoten en het idee om een joekskapel op te richten was dan ook niet zo uniek. In Maasbree bestond zo'n kapel echter nog niet. Het is dan ook begrijpelijk dat de echte "vastelaoves"-vierders onder het genoemde kennissengroepje, zowel import als echte Britsen, vonden dat dit tijd werd.

Reeds in het jaar 1976 schijnt voor het eerst het idee te zijn geopperd om te komen tot de oprichting van een joekskapel. De echte stappen werden echter pas in 1977 ondernomen. De ideeën werden steeds concreter en tenslotte werd besloten tot het houden van een oprichtingsbijeenkomst. Bij de initiatiefnemers van het eerste uur komen we al namen tegen zoals Jan Mulders, Jan Heijnen, Wiel Hendrix, Harrie Roodbeen, Ton Hermans, Jan Jacobs en Cor Geluk. De oprichtingsbijeenkomst werd gehouden op een dag rond 1 april 1977 en wel bij Ton Grubben (Ton van de Böl). Een achttiental geïnteresseerden, waaronder naast de zojuist genoemden Jos Ueberbach, Ton Noten, Jan Driessen Hay Hasselman en de gebroeders Piet en John Klaassen.

Op deze allereerste avond werd al duidelijk dat de joekskapel als een zelfstandige groep door het leven wilde gaan, dat wil zeggen niet als een of andere subgroep behorende bij een andere vereniging zoals bijvoorbeeld het mannenkoor. Dit was voor enkele geïnteresseerden al reden genoeg om af te haken. Een twaalftal aspirant-leden bleven over. Op deze eerste bijeenkomst werd al gelijk besloten om geld bij de bank te lenen voor de aanschaf van de nodige instrumenten. Iedereen gaf te kennen welk instrument hij graag wilde gaan bespelen en na een indeling van de bezetting werden enkele mensen belast met de daadwerkelijke aankoop. Een saxofoon was al voorhanden en voor de rest toog men naar de bekende handelaar in blaasinstrumenten, Jeurissen in Posterholt. Elk lid dat een instrument kreeg kon dit in gelijke maandelijkse termijnen afbetalen.

Toen de instrumenten verdeeld waren kon de eerste repetitie beginnen. Op deze eerste repetitie had men al een instructeur/dirigent. Deze heeft het echter maar een week volgehouden. Daarna kwam Noud van Zutfen. Hij was standvastiger en hield het zelfs een paar jaar vol. Tot hij ging verhuizen naar Beek en Donk. Hoe het ook zij, de repetities waren een feit en er kon naar hartenlust gemusiceerd worden. Men oefende en oefende.

Eens komt echter voor elke blaaskapel de dag van  de zogenaamde "Uraufführung". Volgens de overlevering moet dit voor de Eierjônge zijn geweest tijdens het eerste Ceciliafeest ten gehore van niemand minder de eigen vrouwen. Boze tongen beweren dat tijdens dit eerste optreden de meeste leden van de joekskapel zo zenuwachtig waren dat ze stonden te trillen op hun benen. Met dit optreden was de ban echter gebroken.

Het eerste officiële optreden was dan ook een routineklus. Dit moet overigens op 28 januari 1978 bij de onthulling van de jeugdprins van CV D'n Hab zijn geweest.